juin 062018

Chronique par Guy Peters dans Enola (6 juin 2018)

Al te vaak wordt de geschiedenis van de avant-garde jazz (of die van het genre in het algemeen) gereduceerd tot een verhaal dat zich afspeelt in New York. Dat er einde jaren zeventig ook een en ander gaande was aan de Westkust bewijst deze archiefrelease van Dark Tree Records. Het brengt een paar kernspelers uit Los Angeles samen voor een ongewone kwartetsessie.

Het uitstekende Franse label Dark Tree Records heeft een beperkte catalogus, met 9 releases waarvan zes met sleutelspelers van de Franse improvisatie. Na een eerdere release van het John Carter/Bobby Bradford Quintet (een registratie uit 1975) is dit de tweede release waarmee het label in die scene duikt. Klarinettist Carter en kornettist Bradford waren samen met pianist Horace Tapscott enkele kernspelers van de vooruitstrevende Californische jazz en zorgden met Seeking en Flight For Four (beide uit 1969) voor regelrechte cultklassiekers. Het was een creatieve voedingsbodem waar later ook artiesten zoals Arthur Blythe, Mark Dresser, het Rova Saxophone Quartet en de broers Alex en Nels Cline in zouden gedijen. Een andere belangrijke figuur was de voormalige schilder Vinny Golia.

Die had in 1977 een eigen label (Nine Winds) opgericht waarop de eerste release — Spirits In Fellowship — ook al met John Carter was. Golia, een veelvraat die zowat alle fluiten, saxen en klarinetten bespeelde en normaal een voorkeur had voor duo- en triobezettingen, breidde zijn trio met John Carter en Bobby Bradford voor deze concertopname uit met trombonist Glenn Ferris. Golia’s arsenaal blijft hier ‘beperkt’ tot dwarsfluit, altfluit, piccolo, basklarinet en baritonsax, maar zelfs met één instrument had het waarschijnlijk geleid tot iets bijzonders. Deze opnames bevatten immers een naadloos verbond van gecomponeerde kamermuziek en vrije improvisatie, met interactie die voortdurend blijft bewegen en transformeren, aanzwelt en uitdunt, een evenwicht zoekt tussen een variatie aan timbres, texturen en registers.

Het is meteen Golia die op fluit het voortouw neemt in “#2”, dat van start gaat met een kluwen van ideeën, een nerveus heen-en-weergekets waarin plots eensgezind een thema opduikt. Het klinkt als kamermuziek waarin een liefde voor moderne klassiek doorsijpelt, maar die gaandeweg weer gecontrasteerd wordt met vrije interactie, vol zwierige fluitvluchten, zoemende klarinetpassages, schetterende kornetstoten en breed uitgesmeerde en ontspannen pompommende trombone. Geen swing, maar die duikt wel op in “Views”, waarin Golia’s ronkende baritonsax in combinatie met de andere blazers toch een beetje herinnert aan het oudere, vrije werk van het World Saxophone Quartet, vooral omdat de jazz hier wel nadrukkelijk doorsijpelt.

Het zwaartepunt van het album zit in het tweeluik “Chronos I”/ “Chronos II”, samen goed voor een half uur, dat aanvankelijk vooral opvalt door de combinatie van hoge timbres en registers (piccolo, klarinet, kornet met ouderwetse, lichtjes komieke demper) en de zorgvuldig uitgewerkte arrangementen, maar uitpakt met een opmerkelijke solo van Carter, die eigenlijk ver verwijderd is van het nog relatief conventionele spel op de albums uit 1969, met virtuoze techniek en een fenomenaal bereik die zonder enige terughoudendheid in de strijd gegooid worden. Wat bovendien opvalt, is de ruimte die hier gegund wordt aan elkaar, met uitgebreide solopassages en opvallende contrasten, zeker wanneer Golia de diep bokkende basklarinet speelt.

Afsluiter “The Victims” is een korte ode aan de in 1977 overleden activist Steve Biko, en is doordrongen van een intense statigheid die laat horen dat het kwartet ook in iets meer gestroomlijnde vorm nog beschikt over een uniek karakter. Het is mooi dat deze opname uit een wat miskende periode en scene nu alsnog onder de aandacht komt, ook al was er dan een klein Parijs label voor nodig. Ook dat behoort tot de charme van de vrije muziek.


Sorry, the comment form is closed at this time.

© 2024 DarkTreeRecords Mano